Naar de pagina-inhoud

Interview met pedagoog Joop Berding over zijn boek ‘Ik ben ook een mens’


  • 8 tot 9 minuten
  • 1.600 woorden

Van de drie filosofen – Janusz Korczak, John Dewey en Hannah Arendt – die hij in zijn nieuwste boek bespreekt, is het Korczak waar pedagoog Joop Berding met de meeste bevlogenheid over praat. Begrijpelijk: de Poolse kinderarts was begin vorige eeuw een radicale pionier op het gebied van kinderrechten en is nog steeds een inspiratiebron voor velen – onder wie Alfie Kohn. Aan KROOST vertelt Berding er heel graag meer over.

Weinig mensen zullen Janusz Korczak kennen. Kan je kort iets over hem vertellen?
‘Janusz Korczak (1878) was een Poolse kinderarts die in 1912 zijn beroemde weeshuis in Warschau opende. Daar verrichtte hij baanbrekend werk op het gebied van kinderrechten, onder andere door het opzetten van een rechtbank die door kinderen bemenst werd. Met zijn 200 pupillen werd hij in 1942 vermoord in Treblinka. Hij schreef tientallen boeken over opvoeden, waaronder veel dagboeken over zijn persoonlijke zoektocht in de wereld van kinderen. Respect, rechtvaardigheid, participatie, dialoog en reflectie – dat zijn de begrippen waar zijn werk van doordrenkt is.’

foto Joop Berding
Joop Berding

De titel verwijst naar een uitspraak van je kleindochter Hannah, aan wie je het boek ook opgedragen hebt.
‘Ze logeerde bij ons, ze was toen twee jaar en vier maanden oud, en kwam na het douchen nog even beneden op de bank zitten. Ineens was er dat zinnetje: “Ik ben ook een mens”. “Jazeker”, zei ik, “jij bent ook een mens.” Direct daarop zei ze tegen me: “Jij bent ook een mens.” Ik was daardoor ontroerd: je krijgt niet zo vaak uit de mond van een zo jong medemens te horen dat jij, inderdaad, ook een mens bent. Deze persoonlijke gebeurtenis gaf mij de impuls om dit boek te gaan schrijven.’

Hij schuift de oorzaak van die chaos niet in de schoenen van de kinderen, maar onderwerpt zichzelf aan een ongenadig zelfonderzoek.

Waarom is dat concept – een kind is ook een mens – zo kenmerkend voor het werk van Korczak?
‘Korczak ging als jonge groepsleider mee op vakantiekampen voor kinderen die we nu als “moeilijk opvoedbaar” of “achterstandskinderen” zouden labelen. Over zijn ervaringen daar schreef hij zeer gedetailleerde dagboeken. Hij heeft zelf geen kinderen, heeft er weinig ervaring mee. Hij benadert ze aanvankelijk dan ook autoritair, zoals de meeste volwassenen dat – ook nu nog steeds – doen. Maar wat hij ook doet, hoe streng hij ook is en hoeveel straffen hij ook uitdeelt, hij krijgt totaal geen controle over zijn groep. Het loopt gigantisch uit de hand, een grote chaos. Ruzie, vernielingen. Maar wat er dan gebeurt is bijzonder: hij schuift de oorzaak van die chaos niet in de schoenen van de kinderen, maar onderwerpt zichzelf aan een ongenadig zelfonderzoek: “Wat had ik anders kunnen doen, wat is eigenlijk mijn motivatie om hier te zijn?” Die gesprekken met zichzelf leiden tot mooie inzichten: dat hij eigenlijk niet voor de kinderen op dat kamp is, maar omdat hij wel zin had in een relaxte vakantie. En dat hij daarom zo weinig kaders of sturing gaf. In die dagboeken is hij pijnlijk eerlijk tegen zichzelf, hij breekt zijn zelfbeeld af en bouwt het weer op. Hij gooit het roer om; hij belegt kringgesprekken waar iedereen aan het woord komt, probeert collectief oplossingen te verzinnen, luistert écht naar de afzonderlijke behoeften van zijn pupillen. Dat inzicht – dat kinderen net als volwassen mensen met respect behandeld willen worden – was voor hem een enorme eye opener.’

Het is een heel troostend en bekrachtigend principe, dat je als ouder altijd opnieuw kunt beginnen. Groeien door vallen op opstaan, zoals dat bij iedereen gaat.

Zijn openheid over zijn zoektocht als opvoeder, zal voor veel ouders herkenbaar zijn.
‘Zijn handelingsverlegenheid is wat me mateloos blijft boeien aan Korczak; hij heeft de wijsheid niet in pacht en wéét dat ook van zichzelf, zonder zichzelf daarvoor af te straffen. Het is een heel troostend en bekrachtigend principe, dat je altijd opnieuw kunt beginnen. Korczak gaat ook niet bij de pakken neerzitten, hij probeert gewoon iets nieuws. Groeien door vallen op opstaan, zoals dat bij iedereen gaat. Dat herkent natuurlijk iedere ouder; ondanks al die -niet zelden tegenstrijdige- opvoedingsadviezen modderen we in de praktijk maar wat aan. De meeste ouders voeden heel intuïtief op. De wetenschap wil ons laten geloven dat als we x doen, dat daar y uitrolt, maar iedereen die dagelijks met kinderen werkt of leeft, weet dat dat niet klopt. We vinden allemaal elke dag, en per kind apart, opnieuw het wiel uit.’

Kan het onderwijs ook wat van dat uitgangspunt leren?
‘Jazeker, ook – of juist – voor professionals is het een hele opgave om met geduld en vertrouwen steeds opnieuw met een leerling aan de slag te gaan. Dat je een kind niet ‘vastzet’ in zijn beperking, achterstand of vervelende gedrag, maar in staat bent om het kind elke keer nieuw en fris te bekijken – dat is moeilijk en, zoals Korczak ook zegt, hard werken, maar tegelijk een cruciale vaardigheid.’

Kinderen hebben het recht om gevrijwaard te blijven van pedagogische willekeur. Je bent een rolmodel en vanuit die verantwoordelijkheid verplicht ze op een respectvolle manier op te voeden en daarin sturing te geven.

Korczak is bedenker van de zogeheten kinderrechtbank, waar nu ook op verschillende middelbare scholen in Nederland mee gewerkt wordt. Kan je kort uitleggen hoe dat in zijn werk ging?
‘Korczak kende de wat minder vrolijke kanten van mensen en besefte dat je deze niet kunt wegredeneren. De pedagogische opdracht is te zoeken naar samenlevingsvormen waarin ieder tot zijn recht komt. Zijn diep gewortelde verlangen naar rechtvaardigheid leidde tot een, zeker voor die tijd, ongekend sociaal experiment: hij creëerde in zijn weeshuis een kinderrechtbank, waar de kinderen zelf oordeelden over conflicten. Hij wist: als ik het kinderen zelf laat uitvechten, geldt het recht van de sterkste. Nu bood hij de kinderen een manier om geweldloos conflicten op te lossen. De rechters (kinderen die zelf een tijdje geen overtredingen hadden begaan) hoorden zowel dader als slachtoffer en wogen daarna de belangen af. Daarbij werd ook het belang van de groep als geheel meegenomen; Korczak zag conflicten niet alleen als iets tussen twee afzonderlijke individuen, maar als een gebeurtenis die een sociale context had. Om het conflict op te lossen, moest daarom ook de context “geheeld” worden. Onrecht gaat de hele gemeenschap gaan en moet ook daarom worden rechtgezet.’

IMG_8920
Beeld van Janusz Korczak en een paar van zijn pupillen, Warschau/Polen

Zouden we daar binnen het gezin ook mee kunnen werken?
‘Ook in het gezin kan dat, al krijgt het dan een andere vorm. Je kunt na een conflict met elkaar om de tafel zitten en het bespreken. Dat kost wat meer tijd en zeker meer woorden, maar is voor de onderlinge relatie veel beter dan bijvoorbeeld straffen. Een straf is misschien wel snel en effectief, maar effectief is niet altijd goed.’
‘Ook volwassenen zijn onderdeel van wat Korczak “de wet van het respect” noemde. Kinderen hebben het recht om gevrijwaard te blijven van pedagogische willekeur. Je bent een rolmodel en vanuit die verantwoordelijkheid verplicht ze op een respectvolle manier op te voeden en daarin sturing te geven.’

Gezag is belangrijk?
‘Gezag heeft een nare bijsmaak voor veel mensen, maar in de visie van Korczak – en ook die van mij – is gezag nodig om jonge mensen te helpen in de richting van de volwassenheid. Tussen opvoeders (ouders, leraren, pedagogisch medewerkers) bestaat een asymmetrische verhouding; jij bent wél verantwoordelijk voor je kind, andersom geldt dat niet. Er zijn tal van situaties denkbaar waarin je als volwassene sneller denkt of handelt, maar de kunst is daarom júist om daarin een stap terug te doen, zodat kinderen de wereld zelf kunnen ontdekken binnen de kaders en grenzen die je als ouder stelt. Korczak stelt zichzelf de vraag: moeten we alles dan maar goed vinden? Zijn antwoord is een luid “nee!” Een gezagsvolle relatie is volgens hem juist nodig om weerstand te kunnen ontwikkelen. Dat niet alles kan of mag, daar moeten kinderen mee leren omgaan. Dat geldt binnen het gezin, maar ook op school. Grenzen stellen betekent ook dat het kind daar tegenaan gaat lopen. We willen dat onze kinderen opgroeien tot autonome wezens, maar als ze nooit kennismaken met het overwinnen van weerstand, dan missen ze ervaringen die heel vormend zijn. Inzet, betrokkenheid, doorzettingsvermogen – dat zijn vaardigheden waar geen mens ooit slechter van geworden is.’

Uit vrees dat de dood ons kind zal afnemen, ontnemen wij het kind het leven ~ Janusz Korczak

Korczak zegt ook: een kind heeft recht op de dood. Wat bedoelt hij daar mee?
‘Opvoeden zonder risico’s is volgens Korczak onmogelijk: we moeten die risico’s dan ook aanvaarden, tot en met die uiterste consequentie. Korczak zag scherp hoe moeilijk wij, volwassenen, kunnen aanvaarden dat een kind, óns kind, sterfelijk is, en daarom proberen we het uit alle macht te beschermen. “Uit vrees dat de dood ons kind zal afnemen, ontnemen wij het kind het leven”, zegt hij daarover. Een provocerende en nog altijd niet gemakkelijke boodschap. Het kind heeft volgens Korczak recht op de dood, maar óók op het leven – en wel vandaag. Dat noemt hij het recht op de huidige dag; zijn we soms niet geneigd het heden op te offeren aan de toekomst? We zijn zo druk bezig met wat een kind moet worden, dat we niet zien wie hij nu is.’

 

 

 

 

 


Annemiek Verbeek
Vindt van alles over van alles, maar schrijft als freelance journalist vooral over opvoeding, onderwijs en (geboorte)zorg. Probeert her en der ook wat in de praktijk te brengen op/met twee schoolgaande dochters van 10 en bijna 8 en een heerlijke peuter van 3.