Naar de pagina-inhoud

Waarom we zelfs voor saaie opdrachten een beloning beter achterwege kunnen laten


  • 9 tot 10 minuten
  • 1.975 woorden
  • Suzan Put

Hij schreef dertien boeken over opvoeding en onderwijs, zat in tv-shows als Oprah, schreef honderden artikelen voor kranten en tijdschriften en Time magazine noemde hem ooit “’s Lands meest uitgesproken criticaster van de fixatie op cijfers en toetsen in het onderwijs”: Alfie Kohn. Toch is zijn werk in Nederland nog niet vertaald. Aan KROOST gaf Kohn toestemming zijn artikelen te vertalen. Deze keer is het de beurt aan een vertaling van ‘Why We Should Avoid Rewards Even for Boring Tasks’.

Copyright 2009 by Alfie Kohn. Reprinted from Why We Should Avoid Rewards Even for Boring Tasks with the author’s permission and translated by Joyce van den Bogaard. For more information, please visit www.alfiekohn.org

[Dit is een vertaling van een deel van hoofdstuk 5 uit Kohn’s boek Punished by Rewards, Houghton Mifflin, 1993/1999]

Het klopt dat een beloning pas funest is voor interesse als er überhaupt interesse ís; als de intrinsieke motivatie zich al op een dieptepunt bevindt, dan is er weinig te verliezen. Het klopt ook dat iemand tijdelijk wat meer geboeid zal zijn door saaie en extreem eenvoudige taken, als er een beloning tegenover staat. Tot slot is het óók waar dat beloningen elke mogelijk ontluikende interesse de kop indrukken.

Met andere woorden: als je wilt dat iemand iets doet, of zich op een bepaalde manier gedraagt, dan is het aanbieden van beloningen daarvoor wel het laatste dat je moet doen. Een voorbeeld: een strak regime van positieve bekrachtiging voor zindelijkheidstraining bij een peuter doet waarschijnlijk geen kwaad op de lange termijn (als we het manipulatieve karakter ervan even negeren, of de vraag of je kinderen wel zou moeten willen overtuigen het toilet te gebruiken voor ze daar überhaupt aan toe zijn). Waarom niet? Omdat we ons geen zorgen hoeven te maken dat we deze peuter opzadelen met een levenslange liefde voor ontlasting.
Daarentegen is het inzetten van beloningen voor dingen als lezen, schrijven, tekenen, je verantwoordelijk en vrijgevig gedragen wel zorgelijk, niet alleen omdat deze dingen van zichzelf ook al intrinsiek motiverend kunnen zijn, maar vooral ook omdat we die motivatie liever willen aanmoedigen dan uitblussen. Extrinsieke motivatoren, zoals beloningen, zijn het gevaarlijkst als ze gegeven worden voor iets waarvan we zo graag willen dat kinderen dat kinderen ze uit zichzelf (willen) doen.

. . . “Als we ons zorgen maken over het minder worden van de intrinsieke motivatie, wat is dan het probleem met het geven van een beloning voor taken die mensen niet interessant vinden?”

Al dit bovenstaande is dus allemaal waar. Betekent dit dan dat we dus mensen probleemloos kunnen belonen voor taken die toch al niet erg interessant zijn? Nee, en wel hierom:

1. Beloningen zijn niet alleen fnuikend voor elke vorm van creativiteit, verschillende studies hebben ook aangetoond dat mensen door extrinsieke motivatoren slechter presteren op redelijk eenvoudige (en mogelijk oninteressante) taken, zoals dingen uit je hoofd leren, het onderscheid zien tussen op elkaar lijkende tekeningen en patronen, etc. Beloningen zijn sowieso niet effectief bij het voor de lange termijn aanleren van oninteressant gedrag, zoals het dragen van veiligheidsriemen. Zelfs als we alleen maar bezig zijn om mensen geïnteresseerd te krijgen in een saaie taak, kun je er niet altijd op rekenen dat een beloning helpt. In één studie, bijvoorbeeld, “waren extrinsieke beloningen om de motivatie te vergroten van kinderen bij wie het aanvangsniveau van hun interesse laag was niet effectiever dan gewoon een simpel verzoek aan het kind om aan de taak te werken”.

Laten we nog eens een stap verder kijken. Het is vaak goed mogelijk om een creatieve, interessante manier te bedenken om dingen te doen die van zichzelf vrij saai zijn. Zo moest een vriend van me tijdens zijn studie geneeskunde heel saai de anatomie uit zijn hoofd leren, en dat deed hij door uitvoerige verhalen te bedenken waarin de verschillende onderdelen en systemen van het menselijk lichaam een rol speelden. Zo is er ook een psycholoog die creatieve manieren bedacht om het saaie maaien van gras leuker te maken. Kantoortaken schijnen minder saai te worden als je er een spel van maakt – efficiëntere technieken bedenken, inventievere manieren verzinnen om bij te houden wat er nog moet gebeuren, enzovoort.

Ik zou niet willen beweren dat alles wat we moeten doen op die manier boeiend kan worden, of dat mensen die “stom” werk hebben alleen zichzelf de schuld ervan kunnen geven als ze het saai vinden. Sommige taken zijn nu eenmaal minder interessant dan andere. Het gaat er meer om dat de mogelijkheden die er nog zijn om een saaie taak op te leuken, risico lopen als er beloningen gebruikt worden. Extrinsieke motivatoren hebben de kracht om interesse te verkleinen, niet alleen in de taak zelf, maar ook in de strategieën die we zouden kunnen inzetten om de taak te verlichten.

Overigens is het belangrijk om onderscheid te maken tussen taken die inherent oninteressant zijn en taken die niet iedereen even interessant vindt.

Overigens is het belangrijk om onderscheid te maken tussen taken die inherent oninteressant zijn en taken die niet iedereen even interessant vindt. Zelfs als mensen die verveeld aan een taak werken reageren op een beloning, lijkt het onverstandig om kunstmatige aansporingen te gebruiken om iemand te interesseren voor een activiteit waar andere mensen van zichzelf al van genieten. Het zou veel productiever zijn je af te vragen waarom hij of zij het saai vindt (misschien is de taak gewoon te eenvoudig of te makkelijk voor haar, en in dat geval zou het logischer zijn het uitdagingsniveau aan te passen dan om haar om te kopen). Het ondermijnt ook nog de mogelijkheid dat ze wellicht later toch nog in zichzelf de motivatie vindt.

Er is gesuggereerd dat extrinsieke beloningen de interesse en dus het leren van iemand met aanvankelijk weinig interesse in een probleem of taak zou kunnen vergroten, zelfs als het gebruik ervan bij zeer gemotiveerde mensen onnodig is. Dat kan wel waar zijn, maar als, zoals we vermoeden, deze beloningen een context creëren die een ander patroon van interactie met de taak uitlokken, zou het toch een slechte manier kunnen zijn om zelfs ongeïnteresseerde kinderen te “motiveren”. Als het aanbieden van een beloning zorgt voor een oppervlakkigere interactie van de persoon met zijn taak, dan zouden we al helemaal niet genegen moeten zijn om ze te gebruiken bij het aanmoedigen van ongeïnteresseerde kinderen om te “leren”.

Bekijk het eens anders: iemand die verplicht aan iets oninteressants moet werken zal daardoor maar weinig gevoel voor zelfbeschikking hebben. Het laatste dat deze persoon nodig heeft is om nog meer te worden gecontroleerd, en dat is precies wat beloningen doen.

2. Het is naïef om te denken dat we de saaie dingen in het leven chirurgisch kunnen verwijderen door hiervoor, en alléén hiervoor, extrinsieke motivatoren te gebruiken. Een manager, bijvoorbeeld, kan geen onderscheid maken tussen verschillende medewerkers op basis van interesseniveaus (“Bill krijgt een bonus voor het afmaken van zijn rapport omdat zijn intrinsieke motivatie niet zo hoog is. Maar jij bent wel gemotiveerd van jezelf, Hillary, dus jij krijgt niks”).
En zelfs als iedereen gelijke interesses zou hebben, bevat elk onderwerp eigenlijk wel bepaalde elementen die interessanter zijn dan andere. Neem nou rekenen op de basisschool. De tafels uit je hoofd leren is niet erg leuk, maar wiskundige concepten onderzoeken is wel weer heel erg stimulerend en bijna een spel als het gebracht wordt door een getalenteerde docent. Maar waarom belonen we kinderen als ze die tafels leren, en stoppen we abrupt met het geven van cijfers om de intrinsieke motivatie niet weg te halen bij het tweede? Het praktische probleem wordt nog erger als er een enkele taak zowel aangename als monotone onderdelen bevat, zoals het schrijven van een rapport.

Dus, als we aannemen dat het oké is om beloningen aan te bieden als de intrinsieke motivatie laag is, zal het uiteindelijk zo zijn dat we ze ook zullen (moeten) geven aan mensen die al gemotiveerd waren, of voor activiteiten die al motiverend zijn van zichzelf. Verminderde interesse is het waarschijnlijke resultaat. Mensen zover krijgen dat ze saaie taken sneller doen (door ze een beloning te beloven) is simpelweg niet de moeite waard als we daarmee ook potentieel interessante taken omtoveren in saaie taken.

Het belonen van mensen ontslaat ons van het stellen van moeilijke vragen over waarom we mensen vragen om dingen te doen die om te beginnen al helemaal niet interessant zijn.

3. Het belonen van mensen ontslaat ons van het stellen van moeilijke vragen over waarom we mensen vragen om dingen te doen die niet interessant zijn. Ik zal de eerste zijn om toe te geven dat er nu eenmaal saaie taken zijn die gedaan moeten worden om een samenleving, of zelfs een huishouden, te laten functioneren. Zo zijn er misschien ook dingen waarvan wij beslissen dat kinderen ze zouden moeten leren, terwijl ze niet heel erg aantrekkelijk zijn op dat moment. Maar om die noodzaak te erkennen is heel wat anders dan aan te nemen dat elke dodelijk saaie taak die je mensen geeft, elke werkdag van hun leven, gedaan moet worden (of georganiseerd moet worden op de manier waarop die dat nu is), of dat elke vul-zelf-maar-in zonde-van-mijn-tijd-opdracht gegeven moet worden aan leerlingen, alleen maar omdat wij dat ook moesten doen toen we zelf op school zaten.
We moeten ons afvragen: Welke saaie taken zijn echt onmisbaar? En waarom? Maar in plaats daarvan maken we onszelf wijs dat sommige mensen nu eenmaal dode dieren moeten opensnijden aan een lopende band, zonder ons af te vragen wat dat doet met hun lichamelijke en geestelijke gezondheid. Zonder twijfel accepteren we dat kinderen hoofdsteden uit hun hoofd moeten leren, terwijl ze die informatie prima op kunnen zoeken als ze die eens nodig hebben. Zoals elke tool die helpt bij het afmaken van een twijfelachtige taak, geven beloningen een “hoe”-antwoord op wat eigenlijk een “waarom”-vraag is. “Grijp naar beloningen als mensen een taak niet interessant vinden” is een slogan die de huidige stand van zaken in stand houdt en die ons, als leerkrachten en managers en burgers in een democratie, in staat stelt om door te gaan met het vanzelfsprekend vinden van bepaalde dingen.

4. Zelfs als we besloten hebben dat een bepaalde oninteressante taak gewoon afgemaakt moet worden, zijn kunstmatige aansporingen niet onze enige optie. Er zijn andere manieren, die minder manipulatief en respectvoller zijn, om mensen aan te moedigen dingen te doen die ze waarschijnlijk niet erg intrinsiek motiverend vinden. De vuistregel om een committment bij mensen te internaliseren om zulke taken uit te voeren is het verminderen van het gebruik van controlerende strategieën. Deci en zijn collega’s stelden een drieledige aanpak voor: Allereerst, bedenk je eens hoe het is voor de persoon die het werk doet en erken openlijk dat die taak niet bepaald boeiend lijkt. Ten tweede, bied een zinvolle reden om het toch te doen, bijvoorbeeld door te wijzen op de voordelen op de lange termijn, of de manier waarop het bijdraagt aan een groter doel. Ten derde, geef de persoon zoveel mogelijk controle als mogelijk over de manier waarop het werk af kan komen.

De laatste van deze drie suggesties brengt ons weer helemaal terug bij het begin, omdat het afnemen van zelfbeschikking ons hielp in te zien wat de schade is die extrinsieke motivatoren aanbrengen. Een duidelijke nadruk op het geven van een keuze aan mensen zal een centrale rol spelen als je wilt kijken naar hoe je, tijdens het managen, doceren of het ouder-zijn, behavioristische tactieken buiten de deur wilt houden.


Joyce van den Bogaard
Redacteur bij hetkind.org, moeder van een puberdochter en een kleuterzoon, Montessori-adept, serie-binger, wikipediaverslinder, gadgetfreak en geïnspireerd in opvoeden en het leven door Alfie Kohn.


*