Naar de pagina-inhoud

Obesitas-angst: mollig mag niet meer



De overgewichtgekte heeft ons in de greep; een kind dat geen maatje-spriet heeft, wordt al snel in het probleemhokje geduwd. Annemiek probeert het haar dochters – gezegend met Hollands welvaart genen – te besparen. Maar dat is nog niet zo makkelijk.

Ze zei het echt: obees. Ik keek naar mijn – toen – vierjarige kleuter, die net met haar in mijn ogen ranke lijfje van de onderzoekstafel van het consultatiebureau was geklauterd. De jeugdarts keek nog eens naar de groene lijn op haar beeldscherm, wees er met haar wijsvinger op en herhaalde wat ze zei: de curve van uw dochter gaat richting ‘obees’. “Maar”, pruttelde ik tegen,”ze is niet eens dikkig, laat staan obéés.”

Wat voor boodschap geef ik mijn dochter mee, als ze telkens hoort dat ze te zwaar is?

Zelfbeeld

We hakten eerder met dit bijltje; ook mijn oudste dochter (nu bijna 9 en net als haar zusjes met 4400 gram direct na de geboorte al in de +2-curve) is uit mijn dna opgetrokken en heeft *dus* een fors postuur. Toen ook al reden voor het consultatiebureau en later de schoolarts, om haar elk half jaar te controleren, ons vermanend toesprekend over wat we onvoldoende gedaan hadden om haar gewicht in te perken. Op een gegeven moment had ik er schoon genoeg van, vooral omdat ik niet aan mijn dochter wilde uitleggen waarom we wéér op controle moesten. Het kostte me twee telefoongesprekken om de dienstdoende jeugdarts te overtuigen dat wij als ouders die verantwoordelijkheid zelf konden dragen.

Blind staren op BMI

Want wat voor boodschap geef ik mijn dochter mee als ze telkens hoort dat ze te zwaar is? Uit recent onderzoek blijkt zelfs dat het met je kind hebben over hun (te hoge) gewicht de kans op een hoger lichaamsgewicht alleen maar vergroot. Hoe dat komt, weten de Australische onderzoekers (nog) niet, maar ze denken dat de stigmatisering van dikkere kinderen meespeelt.

Je blind staren op BMI is onzin, omdat dat cijfer je op zichzelf bijzonder weinig vertelt over de gezondheidstoestand van het individu voor je neus.

En dan te bedenken dat wat nu als ongezond gewicht beschouwd wordt, aan een flinke historische inflatie onderhevig is geweest: in de jaren na de Tweede Wereldoorlog werd de bovengrens van een gezond gewicht steeds verder naar beneden bijgesteld, schrijven wetenschapsjournalisten Asha ten Broeke en Ronald Veldhuizen in het boek Eet Mij. De grote klapper kwam in 1995, toen de World Health Organization (WHO) in een rapport voorstelde de BMI-grens voor overgewicht te verleggen van 27,5 naar 25. Dit advies werd overgenomen door rijksgezondheidsinstituten over de hele wereld, ook het Nederlandse. Van de ene op de andere dag werden tientallen miljoenen mensen te zwaar. De wetenschappelijke basis voor dit advies was flinterdun, maar dat deerde blijkbaar niet. Je blind staren op BMI is ook nog eens onzin, stellen Ten Broeke en Veldhuizen, omdat dat cijfer je op zichzelf namelijk bijzonder weinig vertelt over de gezondheidstoestand van het individu voor je neus. Uit diverse onderzoeken blijkt dat je daarvoor eerst andere dingen moet weten, bijvoorbeeld wat iemands eet- en beweeggewoontes zijn.

Ook dunne kinderen kunnen ongezond leven, je kunt dat niet direct aan de buitenkant aflezen.

Kritische blik

Hoe ziet je kind eruit? Hoe is zijn/haar bouw? Hoe is de vetverdeling? Hoeveel spiermassa zie je? Ook dunne kinderen kunnen ongezond leven, je kunt dat niet direct aan de buitenkant aflezen. Ik durf best de stelling aan dat onze kinderen veel gezonder eten dan gemiddeld, maar toch worden wij als gezin als stevig, mollig, fors, of ‘potig’ getypeerd. En dat is per definitie problematisch, blijkbaar.

Kinderen die niet maatje-spriet zijn, krijgen constant te horen dat dik zijn slecht is en altijd op de loer ligt, als je even niet oplet. De gepropageerde oplossing – minder eten, meer bewegen – gaat volledig voorbij aan genetische verschillen in lichaamsbouw. Mijn oudste dochter zit op waterpolo, ze fietst, wandelt en zwemt – maar ze zal zoals het er nu naar uitziet nooit aan het slankheidsideaal voldoen. Zeker: haar onmatigheid met eten dwingt ons thuis tot zekere sturing (het idee dat kinderen vanzelf leren wanneer ze genoeg hebben als je ze niet begrenst, is hier uitgeprobeerd en op het lijstje ‘werkt voor geen meter’ geëindigd), maar we zullen haar nooit zeggen dat ze te dik of te zwaar is; wij leggen liever de nadruk op met aandacht eten (dus geen geprop), kleinere porties (en dus de mogelijkheid om nog een keer op te scheppen) en af en toe wat uitleg over wat teveel eten met je lijf doet. Door zelf min of meer het goede voorbeeld te geven (ik maan mijn man de lege zakken foute snoep weg te gooien om collectieve verontwaardiging bij zijn dochters te voorkomen), hopen we maar dat ze een gezonde leefstijl ontwikkelt.

De bezorgdheid om ongezondheid speelt nauwelijks een rol, immers: we wijzen wel naar een dikkerd die ijs of patat eet, maar niet naar de dunnerd.

Weinig mededogen

“Dikkere kinderen lopen een grotere kans om gepest te worden, volgens sommigen is overgewicht zelfs de belangrijkste factor in de kans om gepest te worden”, zegt socioloog en pedagoog Mieke van Stigt. “Dat heeft een dubbele tragiek: op het schoolplein mogen ze niet meespelen, maar ook in het zwembad of in de speeltuin worden ze nagewezen. Juist omdat ze niet mee kunnen spelen en zelfs door sportleraren als lui en ongemotiveerd aan de kant worden gezet, zijn ze veroordeeld tot binnen zitten. Mogelijk zoeken ze troost in eten, zodat ze nog zwaarder worden.”

De slankheidscultuur bestaat volgens Van Stigt al ongeveer een eeuw, waarbij slank staat voor zelfbeheersing en succes en overgewicht voor luiheid en onmatigheid (zie ook de uitspraken van radiomaker Giel Beelen hierover). “De bezorgdheid om ongezondheid speelt nauwelijks een rol, immers: we wijzen wel naar een dikkerd die ijs of patat eet, maar niet naar de dunnerd. Die jeugdarts op het consultatiebureau moet zich zorgen maken over kinderen die opgroeien met dagelijks koeken, chips en frisdrank, of ze nu dun of dik zijn.”

Heupen

“Iedereen heeft een ander lijf en elk lijf is mooi” – dat mantra herhaal ik zodra de context zich daarvoor leent. Die kleuter van het begin is ondertussen een schoolkind van zesenhalf. Ze is slanker dan haar zus, maar eet véél eenzijdiger en snoept bij elke gelegenheid die ze kan creëren. En die familie-heupen van ons? Daar blijk je dus super mee te kunnen hoelahoepen.

 


Annemiek Verbeek
Vindt van alles over van alles, maar schrijft als freelance journalist vooral over opvoeding, onderwijs en (geboorte)zorg. Probeert her en der ook wat in de praktijk te brengen op/met twee schoolgaande dochters van 10 en bijna 8 en een heerlijke peuter van 3.